speyside-whisky/glenlivet-40jr-1970-duncan.jpg
« Terug naar whisky overzicht

  Glenlivet 40 jaar, 1970

De Duncan Taylor Peerless Range is een unieke verzameling van Single Malts die voor 40 jaar en langen waren vastgelegd in de kluizen van de distilleerderijen waar ze werden geproduceerd. Het assortiment bestaat uit Single Malts van vooraanstaande Schotse distillateurs en omvat volle rijping in veel verschillende eikenhouten vat soorten die eerder Bourbon, Sherry of Port bevatte.

Met deze ongeëvenaarde whisky en de nieuwe presentatie (nieuwe fles, geschenk doos en het etiket dat de vintage benadruk) hebben we een echt high class premium product.

 

Gedistilleerd: 1970
Vatnummer: 2834
Vattype: Oak cask
Serie: Peerless
Prijs: € 223.00  inclusief BTW Nu kopen

The Glenlivet Distillery

Opgericht: 1824
Gebied: speyside
Adres: Ballindaloch, Banffshire, AB37 9DB
Eigenaar: Pernod Ricard
Status: in gebruik
Capaciteit:5,9 miljoen liter per jaar
Uitrusting: 4 wash stills, 4 spirit stills
Website: http://www.theglenlivet.com/




Al generaties lang maakten de voorouders van George Smith, wiens naam nog steeds onafscheidelijk verbonden is met de huidige Glenlivet-distilleerderij, whisky in het dal van de rivier de Livet. De voorouders van George waren zogenaamde Jacobieten, die op 16 april 1746 met Bonnie Prince Charlie mee- vochten tegen de Engelsen op het slagveld van Culloden. Na hun nederlaag hebben zij zich teruggetrokken en hun eigenlijke achternaam veranderd van Gow in de meer Engels klinkende naam Smith.

Vanaf het jaar 1823 was er een vergunning nodig om legaal te kunnen distilleren en George Smith was de eerste die een jaar later, in 1824, zo'n vergunning aanvroeg. De vergunning werd aangevraagd voor een distilleerderij op zijn boerderij bij Upper Drumin, gelegen in dat bekende dal van de Livet. Hij noemde zijn distilleerderij dan ook `Glenlivet'.

De landeigenaar, de Duke of Gordon, was zeer enthousiast en verleende zijn volle medewerking aan Smith. De mensen die minder enthousiast reageerden, waren de illegale collega-distillateurs in het dal. Zij beschouwden hem als een verrader en dreigden zelfs Smith' distilleerderij in brand te steken.

Toen dat de Duke of Gordon ter ore kwam, gaf hij George Smith twee pistolen in bruikleen om zich te verdedigen. Volgens de verhalen heeft George een van de pistolen een keer moeten gebruiken. Dit was in een herberg, waar hij zich bedreigd voelde doorwingsschot in het haardvuur waarna de heren het hazenpad kozen. Beide pistolen zijn tegenwoordig in het bezoekerscentrum te bewonderen.

De zoon van George, John Gordon Smith, begon in het jaar 1849 een eigen distilleerderij met de naam Delnabo, vlak bij de plaats Tomintoul. Deze zoon had de distillatietechniek misschien van zijn vader geleerd maar het verkopen van zijn product ging niet echt voortvarend, zodat zijn vader de distilleerderij overnam en de naam veranderde in Cairngorn. In 1885 besloten zij samen op een nieuwe locatie, bij Minmore Farm, een grote distilleerderij te bouwen. De twee oude distilleerderijen werden na de bouw van de nieuwe gesloten en ontmanteld.

De nieuwe locatie was een bewuste keus, omdat de distilleerderij dan aan de in 1863 aangelegde Speyside Railway zou liggen. Dit zou de verspreiding van hun product en de aanvoer van onder andere vaten een stuk verbeteren. Een aantal jaren later werd hun maltwhisky dan ook ver over de grens met Engeland verkocht. Dit was niet alleen te danken aan de spoorlijn maar ook aan de blenders Andrew Usher & Co, die toentertijd als enige het agentschap hadden van de malt van de Glenlivet-distilleerderij. In 1871 stierf George Smith als een in de omgeving gerespecteerd en bekend man. Zijn zoon ging alleen verder en had veel succes.

Zijn whisky werd bekender en bekender en zo'n twintigtal distilleerderijen uit de buurt profiteerden van deze bekende naam door hun whisky ook te verkopen onder de naam Glenlivet. J.G. Smith stak in 1880 een stokje voor de praktijken van zijn collega's door bij de rechter het alleenrecht op de naam `Glenlivet' te eisen. Hij kreeg gedeeltelijk gelijk, want de uitspraak van de rechter luidde dat de andere distilleerderijen de naam `Glenlivet' alleen mochten gebruiken naast hun eigen naam. John Gordon Smith was de enige die Glenlivet zonder toevoeging mocht gebruiken. Hij besloot dan ook om het woordje `The' aan de naam toe te voegen en sinds die tijd heet de distilleerderij dan ook `The Glenlivet'.

Volgens de archieven zouden vader en zoon de naam Glenlivet in Londen al in 1870 als trademark hebben gedeponeerd. Toen de distilleerderij nog aan Seagram toebehoorde, wilde deze er ook alles aan doen om te bewerkstelligen dat andere distilleerderijen de toevoeging Glenlivet van hun eigen etiket weglieten. Om zelf het goede voorbeeld te geven heeft men toen een van hun eigen distilleerderijen van naam veranderd. De naam van de Braes of Glenlivet-distilleerderij is veranderd in de naam Braeval. Tot in 1975 bleef The Glenlivet eigendom van dezelfde familie. Na J.G. Smith kwam de distilleerderij in handen van zijn neef Colonel George Smith Grant uit Auchorachan en in 1921 van diens zoon Captain Bill Smith Grant M.C. Deze ging in het jaar 1952 samenwerken met de Glen Grant-distilleerderij onder de naam `The Glenlivet and Glen Grant Distilleries Ltd'.

Later, in 1970, werd er een samenwerkingsverband aangegaan met de blendfirma hill Thomson & co Ltd en Longmorn-Glenlivet Distilleries Ltd; de firmanaam werd toen veranderd in The Glenlivet Distillers Ltd. In 1975 stierf Captain Bill Smith Grant, waarna de firma zijn onafhankelijkheid verloor. In 1978 werd The Glenlivet Distillers Ltd namelijk overgenomen door de Canadese drankenfirma Seagram Distillers Plc. In één klap had Seagram er vijf maltwhisky-distilleerderijen: Glen Grant en Caperdonich, Longmorn en Benriach en natuurlijk The Glenlivet.

Seagram bezat toen al de distilleerderijen Strathisla, Glen Keith, Braeval en de Allt-a-Bhainne, waarvan de laatste drie door Seagram zelf gebouwd werden. Ook bezat men de Chivas Regal-blended whisky. In 2000 werd de drankenpoot van Seagram afgestoten en bij opbod verkocht. Hij kwam toen aan de Pernod Ricard-groep en Diageo. Doordat Diageo al een maximaal aandeel had in de Schotse whisky-industrie ging het Schotse whiskydeel van Seagram naar Pernod Ricard. De enige tijd dat de distilleerderij gesloten was, was tijdens de Tweede Wereldoorlog in de jaren 1944 en '45 wegens het gebrek aan gerst en andere granen. De moutvloeren werden in 1966 gesloten en de mout wordt nu net als bij zoveel andere distilleerderijen gekocht bij grote mouterijen.

Bron: Brilleman, Robin, De gids 'Schotse Malt Whisky', Amersfoort, Van Wees